Ik wilde deze tekst pas publiceren als het perfect was. Geen typo te bekennen. Elke zin een kunstwerkje. Puntjes op de i, komma’s waar ze horen en een einde dat je laat glimlachen én nadenken. Maar ja, dan had je dit nooit gelezen.
Want perfectionisme is een listige rakker. Het doet zich voor als iets moois; toewijding, oog voor detail, streven naar het allerbeste. Maar intussen staat het als een overijverige verkeersregelaar midden op de snelweg van je creativiteit te zwaaien: “Ho! Wacht! Dit is nog niet goed genoeg!”
Perfectionisme is helaas my middle name. Ik ben zo iemand die eindeloos kan schuiven met tekstblokken in een presentatie tot het ritme precies goed voelt. Die pas kan slapen als alle mails beantwoord zijn. Die de neiging heeft om -bij wijze van spreken- een kindertekening subtiel te “corrigeren” omdat de zon nou eenmaal niet vier kanten op straalt. En ja, dat zit me soms vreselijk dwars.
Ik wil heus genoegen nemen met ‘goed is goed genoeg’. Echt… ik probeer het steeds weer. Maar ergens in mijn systeem (diepgeworteld en hardnekkig) zit dat stemmetje uit mijn jeugd: “Het kan altijd beter.” Mijn vader bedoelde het ongetwijfeld goed. Hij wilde het beste voor mij. Hij wilde me vast motiveren. Maar wat hij me ook meegaf, was een onzichtbare rugzak vol druk. De lat moest hoog en dat altijd. Ik herinner me bijvoorbeeld hoe ik ooit met een 8 thuiskwam voor een proefwerk. Mijn vader glimlachte en zei: “Mooi cijfer! Maar wat ging er mis bij die twee puntjes?” En hup, daar ging het feestje in mijn hoofd. Die ene vraag die ik fout had, werd belangrijker dan alles wat ik wél goed gedaan had.
Mijn kinderen zijn inmiddels volwassen. En bij hen heb ik geprobeerd het anders te doen. Minder druk, meer vertrouwen. Als één van hen een kunstwerkje in elkaar knutselde dat meer op een pinguïn leek dan op de bedoelde vogel, dan zei ik: “Wat een geweldige vogel! Hij heeft karakter.” En als ze hun spreekbeurt oefenden met een zenuwachtig stemmetje, dan klapte ik als een malle. Want lef is belangrijker dan perfectie. Begrijp me niet verkeerd: ik hou van kwaliteit, van aandacht, van iets afmaken waar je trots op bent. Ik ben absoluut geen fan van half werk of dingen afraffelen met een jantje-van-leiden. Mijn kinderen weten dat ook: je best doen is belangrijk. Maar het verschil zit ‘m in de toon. In ruimte geven om fouten te maken. In weten dat je goed genoeg bent, ook als iets niet vlekkeloos gaat.
Het gekke is: ik bewonder anderen juist vaak om hun imperfectie. De kwetsbare spreker die z’n verhaal kwijt raakt en het daarna gewoon weer oppakt. De rommelige keuken van een vriendin waar je je meteen thuis voelt. De mede-ondernemer die eerlijk zegt: “Geen idee hoe dit moet, maar ik probeer het gewoon.” Maar als het over mijzelf gaat, wil ik ineens dat alles klopt. Alsof de wereld vergaat als iemand ziet dat ik soms ook maar wat aanrommel. Terwijl dat precies is wat we allemaal doen: aanrommelen met de beste bedoelingen. Toegegeven, er zijn momenten waarop je beter wél even kunt dubbelchecken. Een open sollicitatie. De naam van je schoonmoeder op haar verjaardagskaart. Maar de meeste dingen mogen best een rafelrandje hebben. Sterker nog: dat maakt ze vaak juist mooier.
We zijn niet op deze wereld gezet om foutloos te zijn. We zijn hier om te leren, te struikelen, op te staan en af en toe keihard te lachen om onze eigen blunders. Want wie perfect wil zijn, mist de kans om echt te zijn. Dus vanaf nu zeg ik tegen iedereen en vooral ook tegen mezelf: publiceer die post. Start dat project. Zeg wat je te zeggen hebt, ook als je stem een beetje trilt. De wereld zit niet te wachten op perfect. Die zit te wachten op echt. En deze blog? Die is vast niet perfect. Maar hij is wel af. En dat is goed genoeg. Toch?