De wereld staat in brand en ik moet nog bedenken wat we vanavond eten. Dat klinkt ongevoelig. Toch is het precies wat er gebeurt. Ik lees het nieuws, voel mijn maag een beetje samentrekken en kijk daarna in de koelkast. Er ligt nog een courgette. Die moet op. Het grote en het kleine passen blijkbaar moeiteloos in één hoofd. Al wordt het er de laatste tijd wel wat druk.

Ik ben opgegroeid met vrede als standaard. Natuurlijk was er oorlog. Op televisie, in de verhalen over vroeger, in landen waarvan ik de naam als kind nauwelijks van kon uitspreken. En ja, er was dreiging. Mijn generatie kent de angst voor de bom. Maar onder mijn eigen leven lag een stevige overtuiging: hier zijn we veilig. We maakten plannen. Voor een opleiding, een huis, kinderen. Later was iets waar je naartoe leefde. Je kon twijfelen over je pensioen, maar niet over de vraag of je tegen die tijd nog gewoon op een terras kon zitten. Misschien was dat naïef. Het was vooral een enorm voorrecht. Nu betrap ik mezelf op gedachten die ik helemaal niet wil hebben. Hoe veilig is veilig eigenlijk? En hoelang blijft iets vanzelfsprekend als we het vooral vanzelfsprekend blijven vinden?

Er verschuift iets
Ondertussen draait alles door. We boeken vakanties, vergelijken energiecontracten en worden buitenproportioneel boos omdat iemand zijn auto voor onze oprit zet. Online heeft iedereen overal een mening over. Ook ik kan me nog steeds opwinden over iets wat, naast het wereldnieuws gelegd, ongeveer het formaat heeft van een kruimel. Toch kijk ik soms om me heen en denk ik: voelen jullie dit ook? Die onrust. Het idee dat er iets verschuift waarvan we de gevolgen nog niet kunnen overzien. Of ben ik degene die te lang naar het journaal heeft gekeken?

Soms lijkt het alsof het mensen niet boeit. Maar ik weet natuurlijk niet wat er gebeurt zodra hun telefoon op het nachtkastje ligt. Misschien liggen zij ook wakker. Misschien is doorgaan hun manier om het behapbaar te houden. Je kunt moeilijk bij ieder nieuwsbericht onder de keukentafel gaan zitten. Daar moet bovendien nog gestofzuigd worden. Ik begrijp het dus wel. En toch schuurt het. Want wegkijken en even op adem komen zien er aan de buitenkant verdacht hetzelfde uit.

Uitkijken naar later
foto vredeSinds ik oma ben, heeft de toekomst bovendien gezichtjes gekregen. Mijn kleinkinderen zijn nog zo klein. Hun wereld bestaat uit vertrouwde armen, iets lekkers en nóg een verhaaltje. Verdriet mag er groot zijn en meestal is er iemand die het met een knuffel weer een beetje kleiner maakt. Zo hoort het. Ik wil dat zij straks kunnen uitkijken naar later. Dat ze plannen maken zonder eerst rekening te moeten houden met een dreiging die ik zelf het liefst wegdenk. Dat ze zich druk kunnen maken over een proefwerk, een onbeantwoorde verliefdheid of ouders die werkelijk nergens iets van begrijpen. Ik gun ze de luxe van kleine zorgen.

En ik merk hoe weinig ik daarover te zeggen heb. Ik kan ze vasthouden, voorlezen en eindeloos vertellen dat ze voorzichtig moeten doen op de trap. Maar de wereld waarin ze groot worden, kan ik niet even controleren voordat ze erin losgelaten worden. Misschien raakt dat me nog het meest. Dat ik vrede altijd heb beschouwd als iets wat er gewoon was. En dat ik nu naar mijn kleinkinderen kijk en hoop dat zij later niet zullen vragen:‘Oma, hoe was dat?’